Cadeautje bij het Financieel Dagblad Leuke actie van het FD vandaag. In de papieren krant een kleine voorpublicatie van Uitverkocht met daarbij de uitnodiging om in hun nieuwe kiosk het hoofdstuk over Schaarste -gratis- te downloaden.
Op...
Bericht vanuit het Midden Oosten Ingekomen mededeling: van begin januari tot en met eind april zal ik in het buitenland verblijven.
In Qatar om precies te zijn, een schiereiland in de Perzische Golf dat grenst aan Saoedi-Arabië...
TED2010: Jamie Oliver Elk jaar reikt het TED-congres een prijs uit. En niet zomaar een prijs: honderdduizend dollar voor een idee dat de wereld kan veranderen. Eerdere winnaars waren Bill Clinton, Bono, Rachel Armstrong en...
De Wereld Draait Door De avond voorafgaand aan TEDxAmsterdam was ik uitgenodigd om in De Wereld Draait Door te vertellen over het fenomeen TED.com en ons eigen event.
Grappig om te zien wat de impact van zo'n massamedium...
Wie worden de ondernemers van de toekomst? Enige tijd geleden werd ik door onder meer Yuri Vangeest, Victor van der Chijs en Valerie Frissen gevraagd om mee te denken met uw TopTeam van de Creatieve Industrie. Het werd een sessie waarbij ondernemen...
Sinds mijn onderzoek naar de relatie tussen welzijn en internetgebruik, word ik regelmatig geïnterviewd over infobesistas. NRC noemde het zelfs één van de woorden die 2010 kenmerkten.
Wat ik eronder versta is de constatering dat internetten -net als eten- heel fijn kan zijn, maar dat de mens net zo gemakkelijk door kan slaan in de hoeveelheid eten als de hoeveelheid digitale informatie die hij/zij consumeert. Anders gezegd:
Obesitas is vetzucht.
Infobesitas is een zucht naar verbondendheid en honger naar informatie.
Een misverstand is dat dit een ‘ziekte’ zou zijn die op de jeugd van toepassing is. Mijn stelling is juist dat zij er geen last van hebben en dat alleen wij (de dertigplussers) erover klagen.
Het toverwoord hier is projectie. De dertigplussers projecteren hun problemen met digitale communicatie op de jongere generaties. Dat komt omdat die dertigers in fysieke objecten denken. Toen zij op de arbeidsmarkt kwamen was post nog fysiek. Dat wil zeggen: het kwam twee keer per dag op je bureau binnen in de vorm van enveloppen en pakketjes. Als de stapel te hoog werd, kreeg je simpel gezegd een assistent.
Vandaag de dag is post digitaal, we noemen het e-mail of social media clutter. Niemand weet hoe hoog de stapel is en niemand zal op idee komen om je een assistant toe te wijzen. Omdat de dertigplussers nog denken in fysieke objecten ervaren zij daarom een gevoel van information overload. De jeugd denkt per definitie digitaal, zij weten niet eens dat je een postzegel behoefde te likken. Ze denken dat je “klikken” bedoelde.
Vandaag in de Volkskrant een interview met mij over infobesitas. Over het verschil hoe mensen op kantoor met information overload omgaan en hoe scholieren zich er een weg doorbanen -ondanks hun docenten.
Infobesitas. Het is een voor de hand liggen woordspeling op Obesitas, volgens Jim Stolze (36). Toch geeft het een zelfde soort problematiek aan. Tegenwoordig is informatie zo vrijelijk en overvloedig verkrijgbaar, dat we er ons aan overeten. Mensen blijven maar informatie consumeren, terwijl ze daar helemaal niet gelukkiger van worden. We zijn toe aan een nieuwe manier van lesgeven in het onderwijs. Digitale informatie consumptie zouden we met evenveel aandacht en urgentie moeten behandelen als verantwoord eten, zo vindt Stolze.
Wat is er aan de hand?
‘Kinderen van nu hebben toegang tot meer informatie dan hun leraren: een uniek moment in de geschiedenis. Vroeger had ik het gevoel dat mijn leraar geschiedenis alles wist. Dat was heel gaaf. Nu kunnen leerlingen direct checken of de leraar wel de waarheid spreekt en er tegenin gaan. De leraar is geen meneer meer. Net als de dokter. Als mensen op het spreekuur komen hebben ze al uitgevogeld wat ze hebben dankzij dr. Google. Heel frustrerend voor iemand die er jarenlang jaar voor heeft gestudeerd. De arts moet op zoek naar nieuwe invulling van zijn beroep met vaardigheden als coaching en empathie.’
Hoe moet dit dan in het onderwijs worden ingepast?
‘Het is vreemd dat onze generatie, die niet met internet is groot geworden, aan de jeugd moet vertellen hoe ze met die nieuwe vormen van media om moeten gaan. Wij (dertigplussers) zijn geneigd informatie te bekijken als fysieke objecten. Wij hebben de tijd meegemaakt dat post, fysieke post was. Dat kwam een keer per dag in een stapel op je bureau. Als die stapel te hoog was, dan kreeg je een extra collega. Je werk was gedaan als je stapel op was.’
‘Tegenwoordig is post digitaal. Het komt per e-mail binnen op je computer. Niemand heeft enig idee hoe hoog die stapel is. Sterker nog. Het is iets dat we niet kunnen bevatten. Toch blijven wij het beschouwen als een stapel post die weggewerkt moet, als een fysiek object dus. We kijken er op een lineaire manier naar: informatie wordt geordend volgens een hierarchie van authoriteit. Op internet gaat dat niet. Daar werkt het veel beter als je asynchroon werkt, op basis van een netwerk van relaties.’
School gaat toch ook gewoon om dingen leren?
‘Dat klopt. Het is juist belangrijk dat leerlingen weten dat alle mogelijke informatie online te vinden is en dat ze die zelf kunnen verrijken. Stel je voor dat je leraar Nederlands bent en je merkt dat een leerlinge een uittreksel van een boek inlevert dat zij rechtstreeks van internet heeft geplukt. Dan kan je twee dingen doen. Je kunt haar werk met een 1 beoordelen en zeggen dat ze opnieuw moet beginnen. Een slimme leraar beloont haar werk echter met een 5 en schrijft erbij dat ze als de spelfoutjes eruit had gehaald, ze haar eigen mening had toegevoegd en het uittreksel weer had terug upgeload naar scholieren.com ze zeker een 8 had gekregen.
Last week I was in Berlin attending and speaking at the NEXT-Conference 2010. Other speakers included Stowe Boyd, Andrew Keen and Cindy Callop. I was in the track “openess” together with Steve Rubel.
Some of you may have watched the live-stream but I got some questions about the slides, so I put them up on Slideshare and wrote down a version of the transcript: .
It’s an honour to be here on behalf of the Virtual Happiness Institute. I have a short presentation. Gonna give you some updates on our research and then tell you how we can prevent the next epidemic. But first, I may not be the next Uri Geller, but I know what’s on your mind right now: “Why would we need an institute for Virtual Happiness? ”
And the answer is so obvious! Just like the government of Bhutan uses Gross National Happiness (instead of GPD) to measure the success of its policies, we –as an Internet community –should focus on our digital well-being more than ever! The Virtual Happiness Institute keeps track of this research in Internet psychology. Basically what we do is to write about anything that a blogger finds too boring and study everything that a scientist finds too much fun.
It’s all based on a simple research question: does the internet make us happy?
We asked people how they would rate their own happiness . And it turns out Western Europeans are moderately happy. They rate it a 7,11 on a 10 scale. In the American system this would have been a B right? But how would this live satisfaction change when they had to live without the Internet for a full month? And then you see their happiness drop straight to a 6.3.
After we published these results we got some complaints. People said: “Well this sounds nice, but there something wrong with your method. You can’t live without the internet, so that’s not an option.” So we designed a new experiment. We found someone (me) who was quite an internet fanatic (yep, that’s me) and we persuaded him to go unplugged for more than a month. Mind you. Until then this hadn’t been not done before. The experiment has had a lot of following , but until then this was the first time.
So, I went completely offline for a whole month. Nearly 40 days without the Internet, no Google, no Email, no surfing, no twitter, Nothing. The most fun thing I ever did, at least in the first week. During this period I kept a diary. (you all know what that is right? Sort of an offline weblog) And this was eventualy published as a book in Dutch with the title “how to survive your inbox”. Because my conclusion at that time was that living without the internet was awful, but living without email was fantastic.
Europe’s leading Internet conference will be held in Berlin. The motto of next10 is “Game Changers”, and the conference will offer 40 hours of events with international speakers over two days on three stages at STATION-Berlin.
My talk on Wednesday will be an update on the Virtual Happiness Project, which was launched on the PicNic-Conference in 2008 (Does the Internet make you happy?) and about which I spoke at TED 2009 as well (Can you live without the Internet). My theme for this year will be “How can we avoid the next epidemic?”
It’s basically the end conclusion of the project. We’ve gathered enough information to know what drives virtual happiness (online social interaction) and we know what frustrates our virtual happiness (the inability to handle digital information we were used to in the fysical world). So, what is left is a call for action to take way this last barrier towards a better online well-being. Let’s see if we can stop the impending epidemic of infobesity.
More information about NEXT10
“Over the course of five years, the next conference has become the most important European conference for the digital and creative economy,” said Matthias Schrader, founder and CEO of interactive agency SinnerSchrader. “We are coming to Berlin to take the next step in our development, and we’ve found the right partner in STATION-Berlin, the organiser of the international PREMIUM fashion fair.”
Interessant verhaal van Clay Shirky, schrijver van het boek Here Comes Everybody, over information overload. Dit is zijn presentatie tijdens de Web2.0 Expo 2008 in New York.
Volgens Shirky moeten we eens ophouden met het praten over information overload. Het gaat erom dat we geen filters meer hebben bij content-productie. Een gevolg van het feit dat het produceren van content min of meer kosteloos is geworden. Er is simpelweg geen economische reden meer om te kijken naar “kwaliteit filters” voordat je op “publiceer” drukt:
The cost of producting anything by anyone has fallen through the floor. There’s no economic logic that says you have to filter for quality before you publish.
In 2009 schreef ik het boek "Hoe overleef ik mijn inbox". Een zoektocht naar de effecten van information overload, overvolle inboxen en continue afleiding.